Afscheidsinterview met Jan Lock

‘GEBROKENHEID
MAG NOOIT HEERSEN
OVER PERSPECTIEF’

/ JAN LOCK NAM AFSCHEID ALS BESTUURDER VAN WOORD EN DAAD

Bijna een kwart eeuw stond hij aan het roer van Woord en Daad. Enkele maanden geleden legde Jan Lock zijn functie als bestuurder neer. Hoewel Jan armoede, onrecht en zelfs ‘totale verwoesting’ van dichtbij zag, is hij onverminderd blijven geloven in de mogelijkheid van verandering. We vroegen hem naar zijn ervaringen en drijfveren. ‘Zelfs in de meest uitzichtloze situatie kun je hoop brengen.’

Je hebt 25 jaar lang bepaald geen negen-tot-vijfbaan gehad. Woord en Daad-directeur, ben je dat samen met je vrouw en kinderen?

Hoewel de kinderen erg betrokken zijn, heb ik ze nooit met mijn werk belast. Ze hebben er wel veel begrip voor. Ze zijn opgegroeid in Papoea en waren daardoor eigenlijk meer bekend met de doelgroep dan met de achterban. Mijn vrouw Riek is iemand aan wie ik me altijd heb kunnen spiegelen als ik even niet wist wat ik ergens mee aan moest. Ze kijkt anders dan ik, meer clean, en dat levert me vaak nieuwe inzichten op.

Met welk gevoel deed je bij Woord en Daad de deur dicht?

Ik weet nog hoe ik de deur ooit opengedaan heb, in maart 1994. We waren net terug uit Papoea, en ik kwam in zo’n andere wereld terecht dat ik dacht: Jan, waar ben je aan begonnen. Op 31 oktober 2018 heb ik de deur dichtgetrokken met het gevoel dat het goed was. Ik laat de organisatie in heel veel vertrouwen achter. Dat voelde ik heel duidelijk op het moment dat ik afscheid nam van alle collega’s. Er staat een sterk team, dat vanuit onze missie doet wat het moet doen, in een veranderde context en op een manier die past bij deze tijd. Het is goed zo.

Rond je afscheid werd je ernstig ziek. Je hebt zelf wel eens de lijn getrokken tussen jouw ziekte en je werk, in de zin van: ik moet me realiseren dat het werk ook zonder mij doorgaat.

In 1985 ben ik voor het eerst erg ziek geweest, we woonden net een half jaar in Papoea. Toen heb ik ook voor het eerst geleerd dat het werk zonder mij gewoon doorgaat. Dat besef heb ik daarna mijn hele leven met me meegedragen. Rond mijn afscheid was ik inderdaad opnieuw ernstig ziek, ik ben dicht bij de dood geweest. Dat heeft me weer doen beseffen hoe relatief alles is. Die wetenschap komt recht uit mijn hart, ik voel het echt zo.

In 2012 schuifelde je voetje voor voetje achter een rollator door het kantoor. Hoe kijk je daarop terug?

De rollator heeft, gek genoeg, altijd gevoeld als een zegen. Dat komt door mijn kleindochter Janiek, toen net 1 jaar. Ik kon niet meer lopen en werd opgenomen in het ziekenhuis. Zij was er toen ik de eerste stappen achter de rollator zette om opnieuw te leren lopen. Janiek hield enthousiast mijn rollator vast, ze vond het zo’n belevenis. Daardoor was ik meteen over mijn weerstand heen. Het wás ook een zegen dat ik weer kon lopen.

Je noemt een kind: is er een programma in het Zuiden dat in het bijzonder je hart heeft?

Met onze eerste partnerorganisatie in Colombia bezocht ik ooit een sloppenwijk in een grote stad, waar onze sponsorkinderen woonden. In deze zeer criminele wijk heerste volop verslavingsproblematiek en waren vele andere problemen. De kinderen die er opgroeiden, waren menselijkerwijs gezien kansloos. Ik vond dat een heel heftig bezoek, één van de heftigste die ik heb meegemaakt. Onderwijs voor kinderen in achterstandssituaties, dat is wel een programma waar ik een speciaal gevoel bij heb.

Je hebt ook verschillende rampgebieden bezocht. Wat heeft dat met je gedaan?

Ik was in Haïti en Colombia na overstromingen en aardbevingen, op De Filipijnen na de tyfoon en in Sri Lanka na de tsunami. Dan zie je echt de totale verwoesting, heel aangrijpend. Je ziet dan ook dat de reactie op een ramp overal verschillend is. Sommigen zijn volslagen ontredderd, anderen gaan meteen aan de slag. Met onze partnerorganisaties proberen we in elke situatie een vertrekpunt te kiezen dat past bij de context waarmee je ter plekke te maken hebt. Die context is in elk land anders. Wegen zoeken, daar gaat het om. En als het linksom niet lukt, dan rechtsom.

Ik citeer even uit de missie van Woord en Daad. ‘In een gebroken wereld, getekend door armoede en onrecht…’ Wat zeggen die woorden jou?

De eerste mensen zijn in overvloed geschapen, en armoede staat per definitie voor gebrek. Ook het nieuwe Jeruzalem wordt in de Bijbel getekend als een plaats van overvloed. Al hebben de armen een speciale plaats in het Koninkrijk van God, toch gaat armoede tegen de scheppingsbedoeling in. In mijn beleving horen armoede en gebrokenheid in deze wereld dus echt bij elkaar.

Heb je een antwoord gevonden op die gebrokenheid?

Geloof is een antwoord! In het geloof mag je onrecht overstijgen. Dat is ook de enige reden waarom ik me nooit heb laten ontmoedigen. Ik ben dankbaar dat ik altijd genadig bewaard ben voor een cynische houding. Gebrokenheid mag nooit heersen over vooruitzicht. Perspectief zien is namelijk de enige manier om met gebrokenheid om te gaan.

Tekst gaat verder onder de foto.

In onze missie staat het zo: ‘We streven naar zichtbare tekenen van het komend Koninkrijk.’ Heb je daar in al die jaren iets van gezien?

Dat mensen boven de gebrokenheid zijn uitgetild, moet een deel van de vreugde zijn in het Koninkrijk van God. De jongere die een diploma had behaald terwijl niemand dat voor mogelijk hield, en dat trots aan me kwam laten zien – in zo’n moment komt iets terug van wat God bedoeld heeft in de schepping. Voor mij is dat pure blijdschap.

Woord en Daad richt zich op verbinding van de allerarmsten aan de maatschappij. De allerarmsten: welk beeld heb je daarbij?

Ik was met een van onze partnerorganisaties in India in een dorp met dalits, onaanraakbaren, mensen die buiten het kastenstelsel gesloten zijn. Echt de armsten van de armsten. Zij staan voor mij symbool voor wat armoede uiteindelijk teweegbrengt. Deze mensen zijn van generatie op generatie weggezet en buitengesloten, dat is hun in de genen gaan zitten. De totale apathie in hun ogen… Die ben ik nooit vergeten. Toch kun je in die volkomen uitzichtloosheid, vanuit Woord en daad, weer hoop brengen. Niet van de ene op de andere dag – vaak lukt dat helaas ook niet meer voor de ouders, maar wel voor een nieuwe generatie.

Wat heb jij als mens aan deze missie kunnen bijdragen?

Ik trof een Woord en Daad aan dat met oprechte empathie de armen in het vizier had, maar zakelijk dacht, in de geest van oprichters Gerrit Puttenstein, Ivo ’t Lam, dominee Hegger en Koos Dankers. Ik hoop van harte dat ik dat heb kunnen voortzetten, want ik kan het belang daarvan niet genoeg benadrukken. Ik heb het gevoel dat ook doorgegeven te hebben aan de 80 mensen die bij Woord en Daad werken. Meevoelen, zakelijk zijn en je verantwoordelijkheid nemen.

Wat stemt je dankbaar?

Ik ervaar dankbaarheid aan God voor wat er in al die jaren plaats heeft mogen vinden. Dat we verschil hebben gemaakt in het leven van talloze mensen, van wie ik er velen heb ontmoet en gesproken.

Daarnaast ben ik er heel blij om dat Woord en Daad, met onze trouwe achterban als basis, een intensieve samenwerking heeft met bedrijven en andere organisaties. Wat dat betreft zijn we altijd een voortrekker geweest in de sector. We zijn én orthodox-christelijk, én innovatief. Een spannende combinatie, maar ik merk dat er daardoor met respect naar ons gekeken wordt. Mijn overtuiging is dat wanneer je jezelf christelijk noemt, je de verplichting hebt om goed te zijn. Anders ben je geen getuigenis.

Wanneer is voor jou ontwikkelingssamenwerking zinvol geweest?

Na zo veel jaar dit werk te hebben gedaan, kwam ik soms in onze partnerlanden de volgende generatie tegen van mensen die eerder in onze programma’s zaten en die de armoede waren ontstegen. Daarbij zie je heel concreet hoe er verandering is gekomen in de levens van mensen. Hun manier van denken is veranderd, ze zien hun omgeving niet meer alleen als een belemmering. Als je een open mind hebt, verdampen er veel problemen. Zo heb ik trouwens ook mijn werk als directeur gedaan. Een open blik naar buiten en kijken naar wat wél kan.

Waar komt die open houding vandaan?

Ik heb die openheid rechtstreeks van mijn vader meegekregen. Hij was iemand die altijd in mogelijkheden dacht. Mijn vader is heel erg een voorbeeld voor me geweest.

Wat wil je graag dat mensen begrijpen over ontwikkelingssamenwerking?

Dat er dingen mislukken, en dat er ook veel goed gaat. Ik vind het belangrijk dat beide zijden meegenomen worden en mensen daarop hun mening over ontwikkelingssamenwerking baseren. Dat hoeft niet míjn mening te zijn, maar een weloverwogen standpunt doet recht aan alle mensen met en voor wie we werken.

Wat zou je tegen de achterban van Woord en Daad willen zeggen?

Als ik denk aan de momenten waarop ik de achterban van Woord en Daad ontmoette, zie ik direct allerlei mensen voor me. Betrokken mensen, die ons veel vertrouwen gaven. Ik hoop van harte dat we hun vertrouwen hebben waargemaakt. Woord en Daad heeft in mijn beleving altijd de rol van verbinder gehad tussen de achterban en de mensen in het Zuiden. We helpen het gesprek aangaan, elkaar open tegemoet te treden en verhalen te delen. Wie of waar je ook bent, je hebt elkaar altijd wel iets te vertellen.


Ir. Jan Lock (1956) was van 1994 tot en met 2018 directeur-bestuurder van Woord en Daad. Daarvoor werkte hij ruim 10 jaar in Papoea-Nieuw-Guinea voor de Zending Gereformeerde Gemeenten. Na een dienstverband van bijna 25 jaar koos Jan ervoor zijn functie als bestuurder bij Woord en Daad per 1 november jongstleden neer te leggen. Als adviseur begeleidt hij in de komende tijd nog een lopend traject binnen het partnernetwerk. De gezondheidsproblemen die in het interview worden genoemd betreffen het antisynthetasesyndroom, een auto-immuunziekte.


Tekst door: Marlies Moret-Verwoerd, hoofdredacteur.

© Woord en Daad | Privacy statementDisclaimer

Woord en Daad maakt gebruik van cookies.

Door cookies te accepteren helpt u Woord en Daad bij het verbeteren van de website. Lees meer in ons privacybeleid.

Privacybeleid | Sluit deze melding
Privacy-instellingen