Frew is doof en kan niet praten. Toch laat hij zich niet tegenhouden. Frew werkt als meubelmaker in Hawassa. Samen met zijn vrouw Askanech en twee kinderen woont hij in een klein, bakstenen huis. Op het erf heeft hij zijn werkplaats, onder een eenvoudig afdak.
Zes dagen in de week maakt hij poefs met een paar handzagen en wat basisgereedschap. Hij timmert eerst een rond houten frame en spant daar zwart en wit kunstleer omheen. Daarna verkoopt hij ze op de markt of bij drukke bushaltes. Elke poef is een tijdrovende en precieze klus, maar Frew doet het met zorg en met trots. Dat zie je meteen.
Lekkernij
In de kleine huiskamer heeft Asnakech voor haar buitenlandse gasten een typisch Ethiopische lekkernij op het tafeltje gezet: een schaal met gekookte aardappelpartjes, met een pittige saus erbij. Op de grond ligt een plastic zeil als vloerkleed en in het dressoir staan wat borden en ligt bestek.
Ze vertelt hoe ze als gezin proberen rond te komen. “We hebben het niet breed. Frew maakt nu poefs. Het is allemaal handwerk, dus erg arbeidsintensief”, zegt ze, telkens in gebarentaal overleggend met haar man. “We hebben geen geld om te groeien”, verzucht ze. “Frew heeft alleen handgereedschap. Een paar machines zouden al veel verschil maken; voor hem, maar ook voor ons als gezin.” Maar klagen wil ze niet. Ze is blij met het huis waarin ze wonen, want het staat op eigen grond.
Naar de kerk
Op zondag gaat Frew en Asnakech samen met hun twee kinderen naar een protestantse kerk in de buurt. “We doen actief mee. In de kerkdienst, maar ook met sociale activiteiten, bijvoorbeeld door een gezin te bezoeken als er een familielid is overleden. We leven met elkaar mee.” De goedlachse Frew knikt. Hij steekt zijn duim op. “Asnakech is een goede huisvrouw”, beduidt dat. “Zij zorgt voor ons gezin en vangt de kinderen op uit school.”